Sterrenstof

Ik sta in een kiosk op de vlieghaven van Rotterdam. Met ingehouden adem blader ik door de National Geographic en het Travelersmagazine. Tegenwoordig ben ik steeds sneller door die tijdschriften heen. Meestal opgelucht dat ik niets heb gezien wat me van gedachten heeft doen veranderen. Iets als een mooie natuurfoto of een artikel over een verzamelaarsstam in Afrika, dat me weer halsoverkop op reis zou doen vertrekken.

De vlieghaven heeft iets huiselijks. Je staat letterlijk aan te schuiven om te boarden in een restaurant. In het vliegtuig wurm ik mezelf op mijn plek naast het gangpad, waar mijn knieën en de stoel voor mij nog moeten besluiten wie dit keer het meeste plek krijgt. Ik sla mijn boek open om te lezen, maar val in slaap nog voor we opstijgen. De vlucht is een afwisseling van in slaap vallen en wakker worden met het ongemakkelijke gevoel dat ik bekeken ben geweest. Het rottige aan slapen in vliegtuigen is dat iedereen kan zien hoe ik mijn boek plots laat vallen en met een schok wakker schrik, of hoe mijn kaakspieren beslissen dat ze genoeg gewerkt hebben vandaag. Na een paar spannende minuten vliegen in mist, landt het vliegtuig op de luchthaven van Wenen. Meteen staan er mensen recht, ook al moeten ze even lang wachten om buiten te mogen als de rest.

De volgende ochtend om tien uur sta ik in de rij om een toegangskaartje voor het Leopold Museum te kopen. Het wordt ook wel het Jugendstil museum genoemd. Ik wip nerveus van de ene voet op de andere: daarbinnen hangen werken van mijn lievelingsschilders. De eerste twee verdiepingen interesseren me dan ook niet. Op de vierde hangt Gustav Klimt. Plots sta ik oog in oog met “Tod und Leben”, een werk waar aan de ene kant een geraamte is afgebeeld, aan de andere een kluwen van kleurrijke lichamen.

Sommige werken vragen erom getekend te worden – daarom bestaan ze in de eerste plaats. Maar ze dragen het ook over op hun toeschouwer. Ik haal mijn schetsboek uit mijn tas en kies een dun potlood om de grote lijnen van het schilderij mee vast te leggen. Ik weet dat ik geen tijd meer zal hebben om de rest van de verdieping goed te bekijken: dit schilderij heeft mij gekozen.

In totaal maak ik vijf schetsen. Eén van “Tod und Leben”, vier van Egon Schieles werken die op de derde verdieping tentoongesteld zijn. Tekenen in musea gaat mij altijd beter af dan tekenen van een foto of boek. Het lukt me in een museum pas echt om de ziel van een werk over te brengen van canvas naar tekenpapier. Tijdens het tekenen vandaag ben ik deel van het werk. Alsof ik word geleid door de hand van iemand anders.

In de late namiddag sta ik weer nerveus op en neer wippend in een rij. Dit keer om kaartjes voor het Natuurhistorisch museum. Dit museum is van het soort dat in je hoofd springt wanneer je aan een écht museum denkt. Ik weet niet waar ik eerst moet kijken: er is bijna een hele verdieping geweid aan prehistorische vondsten. Fossielen van de allereerste wezens, holenleeuw- en bizonskeletten, hutten van mammoethuid, schedels van de verschillende hominiden en tastbare reconstructies van hun uiterlijk, vuistbijlen, draadtrekkers, speerwerpers, ivoren beeldjes. Het is allemaal hier. En meer. Mijn hart staat even stil wanneer ik de ruimte in ga waar de Venus van Willendorf ligt. Een klein beeldje van een voluptueuze vrouw, 29.500 jaar oud. Men denkt dat dit soort beeldjes vervaardigd werden ter ere van een Vruchtbaar Opperwezen, een soort Moeder van Allen. Er zijn sterkte aanwijzingen – waaronder de Venus – die doen vermoeden dat de jager-verzamelaar samenleving matriarchaal was.

De Venus straalt kracht uit. Voor mij staat ze symbool voor een verleden dat ons heden heeft gevormd. Een wereld die tot mijn verbeelding spreekt, die me doet wensen dat ik de kans had in zo’n samenleving te vertoeven. Zo’n 30 000 jaar geleden zat er iemand op een rotsblok in zijn vuurplaats die diende als stoel, een kalksteen te bewerken. Wat ging er toen door zijn of haar hoofd? Hoe zag de wereld er voor die persoon uit?

Een apart stuk van het museum is geweid aan het heelal. Na de hele prehistorie te hebben gezien besef ik weer, in het licht van honderd geprojecteerde sterren, dat alles is gemaakt uit sterrenstof. Van het universum tot de haarlok die over mijn schouder omlaag krult.

Waterstof en helium ontstonden tijdens de Big Bang. Zwaardere elementen vormden zich later in het binnenste van sterren. De meeste fundamentele van zo’n vormingsreacties is de proton-proton cyclus, waarin vier protonen worden gefuseerd tot een heliumkern. Door deze reactie komt er veel energie vrij, die sterren gebruiken in de vorm van licht en warmte. Zwaardere elementen, gaande tot ijzer, worden pas gevormd onder hoge druk en –temperatuur, in het binnenste van oude, stervende sterren. Nog zwaardere elementen, gaande tot uranium, vormen alleen onder extreme omstandigheden, aanwezig in grote, hete en oude sterren, of tijdens de explosie van een supernova. De overblijfsels van zo’n explosie zijn snel verspreidende gaswolken die de voorheen gevormde elementen bevatten. Die wolken leveren nieuw materiaal op voor nieuwe sterren en planeten… en voor ons.

Een menselijk lichaam bevat zo’n 65% zuurstof, 1,5% calcium en 1,0% fosfor afkomstig van supernova’s. 18,5% koolstof en 3,3% procent stikstof van rode reuzen. 0,006% ijzer van super reuzen en 9,5 % waterstof ontstaan tijdens de oerknal.

Wij zijn sterrenstof, en het is wetenschappelijk bewezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s