Mieren in bed

Eergisterenavond kwam ik aan in het klooster: een wit gebouw met rode, puntige daken. Ik word naar mijn kamer gebracht door de hoofdmonnik, die me meteen daarna naar de eetzaal brengt. Het is een speciale man, die monnik. Zijn Engels is gebrekkig en hij lacht gewoon wanneer hij iets niet begrijpt.
Er zitten twee Deense meisjes aan de eettafel, maar verder is de kamer leeg. Ze stellen zich voor als Laura en Medde, twee vriendinnen die al bijna twee jaar aan het reizen zijn. Ik vuur meteen een aantal vragen op hen af, en doe een paar interessante ontdekkingen:

  •  Er is wifi in de eetzaal
  • Laura en Medde geven morgen les van half 2 tot half 5. Die lessen zal ik meevolgen
  • Het lesgeven is wat je er zelf van maakt
  • Vrijdag en zaterdag zijn de vrije dagen
  • Het douchewater is ijskoud
  • In het weekend en op vrijdag is er geen water
  • De stroom werkt soms niet
  • Het ontbijt is tussen zeven en acht

Enkele dingen ontdek ik daarna zelf:

  • Het is ’s avonds redelijk warm op mijn kamer, maar de isolatie is slecht
  • Het gebeurt dat er geen water is om het toilet door te spoelen
  • De toiletbril hangt als een stuk decoratie naast het raam
  • Er is geen spiegel in de badkamer, dus zal het raden worden hoe ik eruit zie
  • Mijn stopcontact is kapot
  • Overdag werkt het licht niet
  • Mijn bus haarmousse is uitgelopen in mijn koffer en dus nu op, gelukkig zat er een plastic zak omheen
  • Het bed is iets zachter dan dat in de Green House
  • Het klooster sluit binnen twee weken, dus de leerstof is vrijwel allemaal afgerond
  • Ik ga veel vrije tijd hebben

Na het eten ga ik naar mijn kamer om me te installeren. De kamer is ongeveer drie meter bij vier, en helemaal turquoise geschilderd. Ik maak een paar aanpassingen in het interieur en pak enkele persoonlijke spulletjes uit. Mijn huisje is al meteen een stuk vrolijker.

De eerste nacht verloopt niet al te best. Het is koud en ik word steeds wakker door mijn lopende, verkouden neus. De honden in de buurt hebben veel tegen elkaar te vertellen vannacht, en om zes uur begint er iemand keihard tegen een gong te slaan. Ik ben dan ook opgelucht wanneer het zeven uur is. Ik doe geen moeite om make-up op te doen, of ergens een spiegel te zoeken om in te kijken.

Het ontbijt dat vanaf nu iedere dag wordt geserveerd, bestaat uit een pot droge tortilla’s waar je naar bubbelgum smakende jam op kunt smeren. Medde en Laura hebben een hele zak vol ander eten gekocht, maar bieden me er niets van aan. De hint is duidelijk: ik zal zelf naar de supermarkt moeten.
Medde is een redelijk klein meisje met een jong gezicht. Haar haren zijn fijn en donkerblond, en haar gelaatstrekken redelijk ruw, maar desalniettemin mooi. Ze is 21, net als Laura, die een natuurlijke schoonheid is. Laura heeft lichtbruin, vol haar dat ze nu in twee vlechten naar achter heeft, een zongebruinde huid, en fijne gelaatstrekken.

Na het eten ga ik weer naar mijn kamer om een beetje bij te slapen. Net wanneer ik ga liggen, hoor ik luid gezang. Drie rijen monniken hebben zich opgesteld voor de ingang van mijn kamer. Ze staan met hun ogen gesloten en de handen tegen elkaar te bidden voor hun schooldag begint.
Na mijn dutje ga ik in het zonnetje zitten lezen. Ik ben twee bladzijden verder wanneer er een kleine, Nepalese man met een vergeelde voortand over me komt zitten. Hij is hier al twee maanden vrijwilliger, zegt hij, en komt oorspronkelijk uit Tibet. Door zijn manier van praten en doen, kan ik al raden waarop dit gesprek zal uitdraaien. Eerst vraagt hij beleefd waar ik vandaan kom, hoe oud ik ben en in welke kamer ik verblijf. We hebben het even over Tibetaanse kunst. Wanneer ik vraag of hij me mandala’s wil leren maken, aarzelt hij een lange tijd. In Nepal is het niet netjes om ‘nee’ te zeggen. Een Nepalees zal eerder een dom excuus verzinnen, dan dat hij een aanbod rechtstreeks afwijst. De uitvlucht waarmee de man op de proppen komt, is best goed: ik mag niet Tibetaans leren tekenen omdat ik fouten zal maken, en die fouten brengen ongeluk. Hij gaat snel over op een ander onderwerp, en vraagt of ik tijdens mijn reis al met mijn familie heb gebeld. Ik knik.
‘En met je vriend?’ vraagt hij met een veelbetekenend lachje.
‘Ja,’ zeg ik snel.
Hij kijkt een beetje teleurgesteld, maar begint dan te grijnzen.
‘Heb je een vriend hier of thuis?’
‘Thuis,’ antwoord ik. Fout antwoord.
‘Oh, dus dan ben je wel single!’ roept hij enthousiast.

Ik maak me snel uit de voeten. Om half twee heb ik afgesproken met Laura en Medde om les te geven. Ik loop met hen mee naar een klein kamertje, waar maar twee lessenaars staan. ‘May I come in miss?’ vraagt een monnik van een jaar of acht. De andere twee monniken doen precies hetzelfde, en eentje stormt de klas gewoon binnen. Dit is de eerste graad, bestaande uit vier leerlingen van verschillende leeftijden. Hier worden de kinderen niet volgens leeftijd, maar kunde in een graad geplaatst. Hoewel dat ook maar een vermoeden is; er wordt mij quasi niets verteld. Niemand van het klooster – afgezien van de meisjes – heeft me geïnformeerd over de lessen, wat er van me verwacht wordt, wat de kinderen moeten leren. Er wordt aangenomen dat je dat zelf regelt. Zo krijg ik het vermoeden dat het klooster niet echt op vrijwilligers zit te wachten.

Het eerste kwartier van de Engelse les, kijk ik hoe Medde en Laura lesgeven. Ze volgen het handboek, dat nu over de politie gaat. Na een tijdje is het boek uit, en beginnen ze aan een zelf gekozen onderwerp: tegengestelden. Als het aan de meisjes ligt, zit ik hier de hele les te observeren. Dus ik sta op en loop op een ondeugend, ietwat scheel uit de ogen kijkend monnikje af om hem te helpen. Dat levert me een boze blik van Laura op. Het kind dat ik aan het helpen ben, is erg snel met de leerstof weg. Zo snel zelfs, dat ik nog een paar extra oefeningen voor hem moet bedenken. Ik probeer hem het concept van een high five uit te leggen, en wanneer hij het snapt krijg ik een enthousiaste high five terug.

De tweede graad is groter, ongeveer vijftien leerlingen. Je zou denken dat monniken rustig en zen zijn, maar dit zijn gewoon kinderen net als alle andere. Ze zijn ondeugend, luid, en bijdehand. Medde blijft vriendelijk maar kan soms streng uit de hoek komen. Laura is eerder onverschillig. Ik ben niet van plan om net zoals zij tegen deze kinderen te gaan roepen. In plaats daarvan vraag ik aan de druktemakers hoe ze heten, en of ze iets willen komen voordoen op het bord. Van die grote mond blijft dan niet zoveel meer over.

Na de lessen ga ik schrijven op bed. Plots ontdek ik een kleine, rode mier die rondkruipt over het onderlaken. Ik pak hem op en gooi hem op de grond. Voor de zekerheid kijk ik de rest van het bed even na. En ja hoor: hoe langer ik kijk, hoe meer rode, kleine diertjes ik zie bewegen. Normaal gesproken ben ik tegen het doden van dieren, maar bijtende mieren in mijn bed, dat gaat me toch echt een brug te ver. Met een zakdoek begin ik aan een mierengenocide. Ik geloof niet dat ik ze allemaal kan vangen. Waar er één is, zijn er meerdere. En soms zelfs een hele nest. Fijn.
Ik schud mijn lakens en kussens uit, zodat alles mieren weg zijn, en schuif mijn bed een stuk opzij. Alsof het allemaal nog niet genoeg was, zie ik een enorme, exotische spin tegen de muur naast mijn bed zitten. Ik had al een vermoeden dat ik een kamergenoot had: boven het gordijn hangen er enkele vliegen in een web te bungelen.

De spin is grijs met een steenachtige structuur, en zo plat dat het lijkt alsof hij tegen de muur geplakt zit. Hij is even groot als de lengte van mijn pink. Ik krijg de kriebels als ik er alleen maar naar kijk. Even zit ik besluiteloos op mijn bed. Zo kan ik echt niet slapen… maar ik durf hem ook niet te doden, laat staan op te pakken. Ik besluit dan maar naar de Deense meisjes te gaan. Medde wil graag helpen. Laura, is zoals altijd, ongeïnteresseerd.
Ik ben er zeker van dat Medde even bang is als ik. Samen zitten we op mijn bed te gillen en te giechelen. Dan raapt ze al haar moed bij elkaar, en slaat ze hard tegen de muur met het boek dat ik haar heb gegeven. De spin veranderd in een klein, verschrompeld hoopje. Ik heb medelijden met het arme diertje, maar ben opgelucht dat het in elk geval niet meer over mijn gezicht kan kruipen wanneer ik slaap. Mijn bed komt mooi niet meer in die hoek te staan.

Het wordt me langzaam duidelijk dat het leven me iets probeert te leren. Het ontbijt, de Deense meisjes die niet delen, de watertap die leeg is net wanneer ik mijn fles wil vullen, de griep krijgen zonder te beschikken over medicijnen tegen hoest of koorts, mieren op mijn bed, een vieze spin in mijn kamer, het gebrek aan informatie en begeleiding, het internet dat net stukgaat wanneer ik hier ben… Het zijn allemaal situaties waarin ik voor mezelf moet zorgen, door of hulp te vragen of zelf het heft in handen te nemen. Dat heb ik in het verleden niet genoeg gedaan, uit angst om anderen tot last te zijn, of gewoon omdat ik vond het dat het niet moest. Maar ik zal zo’n situaties blijven meemaken tot ik dat wel doe.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s