Into the wild

Pizza! Het gerecht waar ik gisteren de hele dag over heb gedroomd. Samen met Yvette en Kristel ga ik naar Thamel voor een gezellig diner na een week van Dal bhat: een traditioneel gerecht bestaande uit rijst en linzen. Dit weekend zullen we met nog twee andere meisjes naar Chitwan gaan: het oudste nationale park van Nepal, dat daarnaast UNSECO werelderfgoed is.

We worden afgezet op een willekeurige plaats in het begin van Thamel, waar zich toevallig de beste pizzeria van de streek bevindt. Dit is een perfect voorbeeld van de relatie die ik met het leven heb. Wanneer we weer naar de Green House vertrekken, is mijn buik zo vol gegeten dat ik voor komende paar dagen verder kan.

Ik word meteen blij van al die bekende gezichten. Maar als ik iets beter kijk, merk ik dat de meesten er nogal vermoeid en zelfs bedroefd uitzien. En wanneer ik hun verhalen hoor, wordt dat vermoeden bevestigd. Vera heeft gewerkt in een weeshuis, en vertelt dat ze is geschrokken van de liefdeloze manier waarop er met de kinderen wordt omgegaan. Ze worden voor het minste geslagen of op de grond gegooid, en bij hun armen of haren weer opgepakt. Kinderen die nog niet kunnen zwemmen worden alleen gelaten in bad. Ze hebben hevige uitslag op hun billen van de luiers, en de meeste verzorgsters hebben luizen.

Hetzelfde hoor ik ook van Kirstel en Yvette, die in een ziekenhuis werken. De dokters bekommeren zich niet echt om het welzijn van de patiënten. Naar een vrouw die net bevallen is, wordt bijvoorbeeld niet meer gekeken. Ze lijdt koud en haar ruptuur, die veroorzaakt werd door het inzetten van de bevalling bij een ontsluiting van maar 7 centimeter, wordt dichtgenaaid onder slechts een plaatselijke verdoving.

Vanmorgen vertrekken Vera, Kristel, Yvette, Frederique en  ik erg vroeg naar Thamel. Daar stappen we op de bus waarin we de komende zeven uur zullen vertoeven. De rit begint rustig, maar eindigt in een bijna vier uur durende hobbelweg naast een ravijn, waarin we volledig door elkaar worden geschud. Schrijven of lezen lukt niet, omdat je van tijd tot tijd letterlijk de lucht in wordt gekatapulteerd.
Gisteren kwam ik een quote tegen van Thoreau: “Alleen die dag breekt aan waarvoor ik wakker ben.” Die heb ik op een papiertje geschreven, met daaronder: “Als je zou weten dat je morgen zou doodgaan, wat zou je dan vandaag doen? En waarom doe je het dan niet, verdomme?”

Ik werd me plots erg bewust werd van de tijdelijke aard van alles. Door het lezen van die quote, besefte ik weer dat de dood zich helemaal niet in een verre toekomst bevindt, maar dat ze hier is en mijn woorden meeleest. Ik was het leven weer even als voor de hand liggend gaan beschouwen, en vergat hoe snel het allemaal voorbij kan zijn. Hoe iedere dag in feite de laatste is. Hoe weinig zekerheid ik heb.
Maar net door het feit dat ik vroeg of laat doodga in de ogen te kijken, begin ik echt te leven. Dan pas besef ik wat er toe doet, en wat mijn tijd en energie waard is. Rijden op een weg met een afgrond die nog op geen vijf centimeter naast me ligt, schudt wel eens goed door elkaar. Dit slaat ook op jou: jij kan ieder moment sterven. Het kan plots zomaar gedaan zijn. Alleen die dag breekt aan waarvoor we wakker zijn.

Het resort ziet er goed uit. Het is netjes, de kamers zijn verzorgd en de bedden zacht! Er is internet, naar horen zeggen warm water en we krijgen pasta als lunch. Er komt een gids mee op onze introductietoer, die wat uitleg over een paar traditionele gebouwen en voorwerpen. Dan gaan we naar een fenomenale plek: het begin van de jungle. Een rivier, met op de achtergrond bergen en de ondergaande zon die alles in een oranjeachtige gloed zet. Op de oever tegenover ons ligt een wilde krokodil rustig te baden.

We lopen een stukje het bos in en gaan zitten op een open plek. Onze gids weet ons wat over de plaatselijke fauna en flora te vertellen. Ergens hier loopt een reusachtige olifant met grote slagtanden, die Ronaldo heet. Hij heeft zijn naam te danken aan zijn driftige gedrag jegens het plaatselijk vrouwelijk schoon. De gids vertelt hoe hij hier ooit met een groep toeristen is achterna gezeten door het dier. Er zitten ook cobra’s in het bos, waarvan het gif je binnen twee uur fataal kan worden. Verder zijn er tijgers, neushoorns, muggen die allerlei ziektes kunnen overdragen en twee soorten krokodillen. Eén vis-etende, met uitsterven bedreigde soort. Daar hoeven we dus niet bang voor te zijn. En één die wel zes meter lang kan worden, en alles opslokt wat zijn pad kruist. ’s Nachts, zo wordt ons vertelt, komen ze uit het water en gaan ze op jacht. Ze kunnen dan tot wel twee kilometer afdwalen van hun poel of rivier, en zich in het gras of bos verborgen houden. Hun staarten zijn zo scherp dat ze iemands voeten kunnen afsnijden, over hun tanden heb ik maar niets gevraagd.

De meeste meisjes hebben nogal een angstige blik in hun ogen: we gaan immers morgen de jungle in voor een soort safari wandeling, en beginnen de dag met een kanotochtje op de krokodillenrivier. Dit is geen ready-made jungle zoals die in het Westen, waar alles levensecht lijkt maar waar je weet dat je altijd veilig bent. Nee, dit is wild en ongerept. Hier gelden de natuurwetten van eten en opgegeten worden. De dieren in het park worden dan ook niet gevoerd, maar gaan zelf op jacht. Ik vind het best vet, zeker in het kader van Thoreau’s quote van zonet.

Na ons tripje door het bos gaan we iets drinken. We hebben uitzicht op de rivier, en zitten gezellig in een kringetje rond het licht van een kaarsje. De sterrenhemel begint zich te vormen, en daar mag ik dankbaar getuige van zijn. Onze gids is helemaal in zijn nopjes door onze aanwezigheid. Op een gegeven moment laat hij zelfs vallen dat hij geen vriendin heeft, maar ook niet echt geïnteresseerd is in Nepalese meisjes. Hij heeft het meer voor westerse vrouwen met lang blond haar. We schieten allemaal in de lach, en beginnen Yvette aan hem aan te smeren. Dat vindt hij dan ook helemaal geen probleem.

We wandelen door naar een traditionele dansvoorstelling. De muziek wordt gespeeld op djembés en de dans is een afwisseling van op de maat bewegende mannen en vrouwen met stokken. Soms slaan ze met hun stokken tegen elkaar, als in een gevecht. Soms doen ze er gewoon bewegingen mee. Wanneer de stokken er niet zijn, klappen ze in hun handen terwijl ze in cirkels lopen. Sommige mensen zijn echt voor het dansen geboren, en dat zie je. Het is wel allemaal erg eenvoudig. Maar dan pas zie ik hoe verwend wij in het Westen eigenlijk zijn. Zo verwend, dat we vaak de schoonheid van eenvoud en onschuld niet meer kunnen zien. En hoewel de bevolking soms hard kan zijn, kan ik er ook veel van leren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s